Artikel 13 Archiefbesluit 1995

Uit ArchiefWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Tekst[bewerken]

Artikel 13

  1. De zorgdrager is verplicht zijn archiefruimten en archiefbewaarplaatsen zodanig te situeren, te bouwen en in te richten alsmede bij verbouwing en verandering van inrichting zodanige maatregelen te treffen dat de zich daarin bevindende archiefbescheiden in geval van een calamiteit zo min mogelijk gevaar lopen.
  2. De zorgdrager beveiligt zijn archiefruimten en archiefbewaarplaatsen op toereikende wijze tegen brand, inbraak en wateroverlast.
  3. De zorgdrager is verplicht in zijn archiefruimten en archiefbewaarplaatsen het klimaat zodanig te beheersen en de lucht zodanig te zuiveren dat het natuurlijk verval en de aantasting door milieu-invloeden van archiefbescheiden worden beperkt.
  4. Bij ministeriële regeling worden in overeenstemming met de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie nadere regels gesteld omtrent de bouw, verbouwing, inrichting en verandering van inrichting van archiefruimten en archiefbewaarplaatsen, alsmede omtrent de ingebruikneming van gebouwen of gedeelten van gebouwen als archiefruimte of archiefbewaarplaats.

Toelichting[bewerken]

Dit artikel formuleert de algemene eisen waaraan archiefruimten en archiefbewaarplaatsen moeten voldoen, zulks in aanvulling op de eisen van het Bouwbesluit, dat niet is toegespitst op gebouwen met specifieke functies.
Het eerste lid legt eerst vast dat het tot de verantwoordelijkheid van de zorgdrager behoort geschikte gebouwen (of gedeelten daarvan) ter bewaring van archieven te kiezen. De ratio van deze bepaling is dat bij calamiteiten de schade aan de archiefbescheiden zo veel mogelijk voorkomen of beperkt moet worden. Als calamiteiten kunnen beschouwd worden brand, instorting, overstroming en explosie. In dit verband wordt opgemerkt dat opzettelijk veroorzaakte explosies (bijv. explosies ten gevolge van kernwapens en voltreffers van zware explosieven) niet gerekend worden tot de calamiteiten waartegen archiefruimten en archiefbewaarplaatsen bestand zouden moeten zijn, aangezien niet geëist kan worden dat archiefbewaarplaatsen en archiefruimten geheel (atoom)bomvrij worden gebouwd.
Het behoud van de archiefbescheiden wordt voorts gediend door een toereikende beveiliging tegen brand, inbraak en wateroverlast (als gevolg van overstroming, lekkage e.d.). Met toereikende beveiliging (tweede lid) wordt bedoeld een beveiliging die gelet op de situering, de bouwkundige inrichting en de waarde van de archiefbescheiden, doeltreffend is. Verder moeten de klimaatbeheersing en luchtzuivering voldoende zijn (derde lid). Hierbij wordt, anders dan de PCDIN voorstelde, geen onderscheid gemaakt tussen te vernietigen en te bewaren archiefbescheiden: hiervoor (bij de artikelen 4, 11 en 12) is uiteengezet dat de op termijn te vernietigen archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat moeten blijven tot de vernietigingstermijn is aangebroken.
De in het vierde lid bedoelde ministeriële regeling zal, voor wat archiefbewaarplaatsen betreft, aansluiten bij de door gedeputeerde staten bij de goedkeuring van bouwplannen ingevolge artikel 61, eerste lid, van het Archiefbesluit uit 1968 gehanteerde voorschriften. Daarom en omdat bij die goedkeuring ook met eisen als bedoeld in de eerste drie leden van dit artikel rekening wordt gehouden, mag er van uitgegaan worden dat de door gedeputeerde staten goedgekeurde archiefbewaarplaatsen reeds aan die te stellen regels zullen voldoen. Dat betekent dat eerst wanneer nieuwe plannen betreffende bouw, verbouwing, inrichting of verandering van inrichting aan de goedkeuring van gedeputeerde staten worden onderworpen de onderhavige en de nadere ministeriële regels feitelijke betekenis zullen krijgen voor die archiefbewaarplaatsen.


Opmerking[bewerken]

De ministeriële regeling genoemd in lid 4 is uitgewerkt in:

vorige:
Artikel 12
Archiefbesluit 1995
Hoofdstuk IV
volgende:
Artikel 14