Artikel 26 Archiefregeling 2009

Uit ArchiefWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Tekst[bewerken]

Artikel 26. Algemene eisen aan opslagformaten voor digitale archiefbescheiden

  1. Digitale archiefbescheiden worden, uiterlijk op het tijdstip van overbrenging, opgeslagen in een valideerbaar en volledig gedocumenteerd bestandsformaat dat voldoet aan een open standaard, tenzij dit redelijkerwijs niet van de zorgdrager kan worden verlangd. Alsdan vindt met de beheerder van de voor overbrenging aangewezen archiefbewaarplaats overleg plaats over een alternatief bestandsformaat.
  2. Voor zover op het tijdstip van overbrenging gebruik wordt gemaakt van encryptietechniek, wordt aan de beheerder van de archiefbewaarplaats de bijbehorende decryptiesleutel verstrekt.
  3. Gebruikmaking van compressietechniek is slechts toegestaan, voor zover daarbij niet zodanig verlies van informatie optreedt, dat niet langer aan de bij deze regeling gestelde eisen ten aanzien van de toegankelijke en geordende staat van digitale archiefbescheiden kan worden voldaan.

Toelichting[bewerken]

Wil een bestandsformaat duurzaam zijn, dan moet informatie over zijn eigenschappen bekend en vrijelijk beschikbaar zijn. Daarom is in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven dat de standaard ‘open’ is. Inmiddels zijn er ontwikkelingen gaande om (open) opslagstandaarden te ontwikkelen. Een recent voorbeeld is PDF/A (portable document format/archiving), een onderverdeling van het al bekende PDF, met als doel het mogelijk maken van langetermijnbewaring. Het voorschrift dat een bestandsformaat valideerbaar moet zijn, is in de eerste plaats bedoeld om vast te kunnen stellen dat het het bestandsformaat is dat het zegt te zijn (validatie kan bijvoorbeeld via een register van bestandsformaten, zoals PRONOM).
Een aandachtspunt in dit verband is encryptie van digitale bestanden. Voor langetermijnbewaring is encryptie niet wenselijk. Encryptie ‘versleutelt’ het bestand met als gevolg dat er sleutels en extra programmatuur nodig zijn om de archiefbescheiden leesbaar en toegankelijk te maken. Er kunnen echter redenen of omstandigheden zijn die maken dat digitale bestanden in ieder geval voor een bepaalde periode op deze manier worden beveiligd tegen ongeautoriseerde toegang. Bijvoorbeeld uit overweging van staatsveiligheid of bij andere vormen van vertrouwelijkheid of geheimhouding. Het voorschrift in het tweede lid van dit artikel sluit dat niet uit. Zodra dergelijke archiefbescheiden echter worden overgedragen naar een archiefbewaarplaats, is encryptie zonder verstrekking van de bijbehorende decryptiesleutel evenwel niet toegestaan.
Onduidelijk is in hoeverre bijvoorbeeld lossless compressie wel of geen effect heeft op de integriteit van een digitaal bestand (het geheel van digitale gegevens in een zelfde bestandsformaat), en dus op de daarmee geproduceerde archiefbescheiden. Daarom is in het derde lid bepaald dat compressie is toegestaan, voor zover daarbij niet zodanig verlies van informatie optreedt dat niet langer aan de bij deze regeling gestelde eisen ten aanzien van de toegankelijke en geordende staat van digitale archiefbescheiden kan worden voldaan. Overigens is ingevolge het eerste lid ook bij compressiemethoden is het gebruik van open en gedocumenteerde standaarden verplicht.

Opmerkingen[bewerken]

vorige:
Artikel 25
Archiefregeling 2009
H3 Geordende en toegankelijke staat van archiefbescheiden
§2 Bijzondere voorschriften voor te bewaren digitale archiefbescheiden
volgende:
Artikel 27