Artikel 30 Archiefregeling 2009

Uit ArchiefWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Tekst[bewerken]

Artikel 30. Brandveiligheid

  1. Archiefruimten en archiefbewaarplaatsen zijn voorzien van deugdelijke en, mede gelet op de aard, oppervlakte en inhoud van de archiefruimte onderscheidenlijk archiefbewaarplaats, doelmatige middelen of voorzieningen voor het doven en vertragen van brand, waaronder in ieder geval voldoende en zichtbaar gemarkeerde draagbare blustoestellen. Poeder- of schuimblussers zijn niet toegestaan.
  2. Voor zover toegepast, zijn sprinklerinstallaties volautomatisch werkend en uitgevoerd met sprinklerkoppen die zich aan het plafond en in de stellingen of in de rekken bevinden. Open sprinklerkoppen zijn niet toegestaan.
  3. De middelen en voorzieningen voor het doven en vertragen van brand, bedoeld in eerste en tweede lid, zijn geschikt om de schadelijke gevolgen daarvan voor de aanwezige archiefbescheiden te beperken.
  4. De bijdrage tot de brandvoortplanting van in- en uitwendige scheidingsconstructies voldoet ten minste aan klasse 2 volgens NEN 6065:1991.
  5. Ventilatie- of luchtbehandelingskanalen zijn voorzien van brandkleppen die voldoen aan NEN-EN 1366-1:1999 en NEN-EN 1366-2:1999.
  6. Archiefruimten en archiefbewaarplaatsen zijn voorzien van rookmelders en een brandmeldinstallatie met een automatische doormelding naar de brandweer. De brandmeldinstallatie wordt beheerd overeenkomstig NEN 2654-1:2002, deel 1.
  7. In een archiefruimte of archiefbewaarplaats bevinden zich geen materialen en apparaten die brandgevaar kunnen veroorzaken.

Toelichting[bewerken]

Doelmatige middelen of voorzieningen voor het doven en vertragen van brand (eerste lid) zijn bijvoorbeeld (gecertificeerde) natte of droge sprinklerinstallaties, verhogen van het stikstofgehalte in de archiefruimtes of -bewaarplaatsen of compartimentering daarvan. Bij toepassing van een sprinkler-installatie is het, ter voorkoming dat de brand zich snel in de hoogte voortplant, belangrijk dat deze op alle niveaus van de archiefruimte of -bewaarplaats aangebracht wordt: aan het plafond maar ook (in de lengterichting) in de stellingen. Dit maakt lokale bestrijding van de brand mogelijk. Om wateroverlast door incidenten met sprinklerinstallaties tegen te gaan, zijn open sprinklerkoppen niet toegestaan (tweede lid). Als de sprinklers in werking zijn, is het van belang dat zij voorzien worden van voldoende watertoevoer. De ongestoorde watertoevoer kan het beste gegarandeerd worden door de installatie op de waterleiding aan te sluiten (en dus niet op watertanks).Kleine handblusmiddelen, bedoeld voor het blussen van een beginnend brandje, hangen op een goed zichtbare en duidelijk gemarkeerde plaatsen in de archiefruimte of -bewaarplaats. Koolzuursneeuw-blussers (CO2) of handblusmiddelen op basis van waterverneveling onder zeer hoge druk verdienen de voorkeur (een koolzuursneeuwblusapparaat is volgens experts overigens niet geschikt voor gebruik in kleinere afgesloten ruimten). Deze laatste mogen echter slechts door getraind personeel worden gebruikt. Poederblussers en schuimblussers zijn wegens hun verwoestende effect op archiefbeschei-den ongeschikt. De daarin vervatte chemicaliën kunnen chemische of fysische schade veroorzaken aan de archiefbescheiden, door hun hygroscopische werking of door het ontstaan van sterk reactieve verbrandingsproducten in de nabijheid van de vuurhaard. Ook toevoegingen aan water die de oppervlaktespanning verminderen, zijn hygroscopisch na het drogen van het gebluste materiaal. Koolzuursneeuw bij papier kan slechts een begin van brand bestrijden, vandaar dat het blussen altijd met schoon water afgemaakt moet worden. Rookmelders (zesde lid) zorgen ervoor dat een brand eerder wordt gedetecteerd dan alleen met een sprinklerinstallatie. Automatische doormelding naar de brandweer (zesde lid) en het zeer frequent automatisch testen van het signaal van de doormelding, verzekeren een tijdige detectie van de brand door de brandweer. Deze kan dan zo snel mogelijk ter plaatse zijn om de brand te blussen.Bij toepassing van een drogeleidingensysteem is het mogelijk na de eerste alarmmelding water in de leidingen te brengen zonder dat de koppen in werking treden. Pas bij de tweede melding treden een of meer koppen in werking. Hierdoor kan tot 60 seconden vertraging ontstaan. Elke sprinklerkop treedt pas in werking als ook het thermisch element in de kop doorsmelt. Er bestaan koppen die automatisch dichtgaan als de omgevingstemperatuur ver genoeg gedaald is. Dit is van belang omdat elke kop 100 tot 200 liter water per minuut inbrengt. Er treden zelden meer dan vijf koppen in werking, meestal niet meer dan drie. De waterschade is na gebruik van een sprinklerinstallatie dan ook altijd minder dan na inzet van de brandweer.Een alternatief voor de sprinklerinstallatie is het verhogen van het stikstofgehalte en daarmee het verlagen van het zuurstofgehalte. De stikstof belemmert de toevoer van zuurstof naar de brandhaard, waardoor de brand stikt of zelfs niet ontstaat. Zuurstofreductie is nog geen gangbare techniek en de toepassing is bovendien op grond van Arbo-eisen nog onzeker. Het is een veelbelovende techniek, die echter nog nader onderzoek behoeft en die voorlopig alleen buiten de tijden van openstelling toegepast kan worden.Gasblusinstallaties worden ontraden voor grotere ruimten, omdat het lang duurt voordat ze daar effect sorteren. Bovendien vereisen ze grote investeringen. Ze hadden lange tijd als nadeel dat de toepassing voor mensen gevaarlijk was; dit betrof met name CO2. Tegenwoordig zijn er mengsels die dit nadeel veel minder hebben, van CO2, stikstof en edelgassen zoals argon. Halogenen en hun opvolgers ontleden in de directe nabijheid van de vuurhaard, waardoor reactieve gassen ontstaan. Bij dit systeem kan inspuiting schade veroorzaken door de plotselinge druk. Ook kunnen condensvorming en bevriezing op de leidingen ontstaan als gevolg van decompressie. Verder moet er voldoende gelegenheid zijn voor het ontwijken van overdruk.

Opmerkingen[bewerken]

vorige:
Artikel 29
Archiefregeling 2009
H4 Algemene voorschriften voor de bouw en inrichting van archiefruimten en -bewaarplaatsen
§2 Voorschriften in verband met de veiligheid
volgende:
Artikel 31