Artikel 38 Archiefregeling 2009

Uit ArchiefWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
dit artikel vervallen per 18 november 2010

Tekst[bewerken]

Artikel 38. Relatieve luchtvochtigheid en temperatuur

  1. De relatieve luchtvochtigheid en de temperatuur bedragen:
    a. 50% R.V. +/– 5% onderscheidenlijk 18° C +/– 2° C voor de bewaring van:
    1°. papier;
    2°. perkament;
    3°. was;
    4°. leer;
    5°. textiel;
    6°. hout;
    7°. zwart-witfotomaterialen op papier; of
    8°. optische schijven;
    b. 35% R.V. +/– 5% onderscheidenlijk 13° C +/– 2° C voor de bewaring van zwartwitnegatiefmaterialen;
    c. 35% R.V. onderscheidenlijk –24° C voor de bewaring van zwartwitnegatiefmaterialen van bi- en triacetaat en nitraatfilm en kleurnegatiefmaterialen;
    d. 40% R.V. +/ 2% onderscheidenlijk 10° C +/– 2° C voor de bewaring van moederkopieën van tapes; of
    e. 40% R.V. +/– 2% onderscheidenlijk 18 ° C +/– 2° C voor de bewaring van werkkopieën van tapes.
  2. Bij tussentijdse verplaatsing van archiefbescheiden naar een andere ruimte wordt voorzien in acclimatisering van de archiefbescheiden, indien gerede kans bestaat dat schadelijke condensvorming op zal treden als gevolg van verandering van relatieve luchtvochtigheid of temperatuur.

Toelichting[bewerken]

In het algemeen behoeven nog niet overgebrachte papieren archiefbescheiden minder koeling en bevochtiging dan naar een archiefbewaarplaats overgebrachte papieren archiefbescheiden. Om die reden zijn in eerste lid, onderdeel a, voor archiefruimten andere waarden voorgeschreven dan voor archiefbewaarplaatsen. Andere materialen dan papier zijn gevoeliger voor de klimaatomstandigheden. Daarom moeten zij wel worden bewaard onder dezelfde stringente condities als die gelden in archiefbewaarplaatsen. De luchtvochtigheid en temperatuur moeten zo constant mogelijk zijn om zo weinig mogelijk van invloed te zijn op de kwaliteit van de archiefbescheiden. Chemische en microbio-logische reacties, en dus verval, vinden boven een temperatuur van 18°C aanmerkelijk sneller plaats dan daaronder. De gezaghebbende Britse norm BS 5454 hanteert een absolute bovengrens voor papier van 18°C.Bij de bewaarcondities van fotografische materialen is de chemische reactiviteit van het materiaal een factor van nog groter belang. In het algemeen kan men het materiaal daarom het best zo koud mogelijk bewaren. Per 6 °C lagere temperatuur verdubbelt de potentiële levensduur van het materiaal. De hier gegeven voorschriften hebben betrekking op materialen vervaardigd volgens het ontwikkel-procédé dat vanaf ongeveer 1905 algemeen gangbaar is. Oudere typen fotografische materialen die archiefbescheiden in de zin van de Archiefwet 1995 zijn, zijn verhoudingsgewijs zeldzaam. Zij verschillen onderling ook sterk, zodat het ondoenlijk is voor elk van de typen algemene voorschriften te geven. Kleurenfoto’s en -films zijn in het algemeen zo instabiel dat deze in ieder geval beneden het vriespunt bewaard moeten worden. Elektromagnetische dragers zouden vanwege de chemische stabiliteit eigenlijk kouder bewaard moeten worden dan hier aangegeven. Maar een lagere temperatuur heeft als nadeel, dat de verschillende kunststof lagen van de dragers bij wisseling van temperatuur ander krimp- en uitzetgedrag vertonen – met destructieve consequenties.

Opmerkingen[bewerken]

Deze bepaling is vervallen per 18 november 2010 en vervangen door artikel 45a voor wat betreft archiefruimten en Artikel 54a voor wat betreft archiefbewaarplaatsen.


vorige:
Artikel 37
Archiefregeling 2009
H4 Algemene voorschriften voor de bouw en inrichting van archiefruimten en -bewaarplaatsen
§3 Voorschriften voor een gunstig milieu en klimaat
volgende:
Artikel 39