Artikel 3 Regeling bouw en inrichting archiefruimten en archiefbewaarplaatsen

Uit ArchiefWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

deze regeling vervallen per 1 april 2010

Tekst[bewerken]

Artikel 3.

  1. De vloerbelasting is berekend op een gewicht van 10 kN/m2, bij een inrichting met 7 legborden boven elkaar, bij een onderlinge afstand van 35 cm.
  2. De archiefruimte is beschermd tegen overlast van grond-, riool-, regen-, leiding- en bluswater door de toepassing van een waterkering van tenminste 10 cm. In een archiefruimte beneden het maaiveld zijn watermelders aanwezig. Indien de situatie van een archiefruimte beneden het maaiveld daartoe aanleiding geeft, wordt, ten genoegen van degene die ingevolge de Archiefwet 1995 is belast met het toezicht aangetoond dat de waterindringing in het beton gemeten volgens ISO-DIS 7031 een waarde heeft die onschadelijk is voor de bewaring van archiefbescheiden.
  3. De scheidingsconstructie, vloeren, wanden en plafonds tussen de archiefruimte en de omringende ruimten is van steenachtig materiaal en bezit een brandwerendheid van 60 minuten volgens NEN 6069; dit geldt ook voor deuren, kozijnen, brandkleppen, doorvoeringen van kabels, leidingen en andere perforaties. Met betrekking tot brandkleppen is NEN 6077 van toepassing. Rooster- en andere tussenvloeren zijn niet toegestaan. Indien de vuurbelasting van een aangrenzende ruimte groter is dan die van een gemiddelde kantoorruimte wordt de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag dienovereenkomstig verhoogd.
  4. Ramen zijn in de archiefruimte niet toegestaan.
  5. De bijdrage tot de brandvoortplanting van wanden, plafonds, vloeren en vloerbedekking alsmede van kasten en stellingen voldoet aan klasse 4 volgens NEN 6065.
  6. De vloeren, wanden en plafonds zijn glad, vlak en stofvrij afgewerkt; losse bouwdelen met kieren zijn niet toegepast.
  7. Alleen kabels, leidingen en kanalen ten behoeve van voorzieningen in de archiefruimte zelf, zoals een verwarmingsbuis, zijn in de archiefruimte aanwezig. Archiefstellingen staan niet onder watervoerende leidingen. Kabels en leidingen worden zoveel mogelijk als opbouw uitgevoerd; voeding naar apparatuur vindt plaats van bovenaf door de wand.
  8. Het ventilatiesysteem of de luchtbehandelingsinstallatie is zodanig uitgevoerd dat hierdoor geen water, vuil en ongedierte kunnen doordringen in de archiefruimte. De klimaatapparatuur wordt buiten de archiefruimte geplaatst.
  9. De toegangsdeuren zijn tenminste voorzien van insteeksloten met sluitkommen en van veiligheidsbouwbeslag met boorzekering. De deuren zijn beveiligd tegen uitlichten. Zij zijn zelfsluitend uitgevoerd.
  10. Bij gesloten deur is door een verklikkerlampje aan de buitenzijde zichtbaar of de elektriciteit is ingeschakeld. Deurcontacten voor de verlichting zijn niet toegestaan.

Toelichting[bewerken]

Tweede lid.
Zie voor waterindringing in beton de toelichting bij Artikel 7

Vierde lid.
Zie hiervoor de toelichting bij Artikel 10.

Vijfde lid.
Zie hiervoor de toelichting bij Artikel 12.

Zevende lid.
Zie hiervoor de toelichting bij Artikel 15.

Tiende lid.
Zie hiervoor de toelichting bij Artikel 17.


vorige:
Artikel 2
Regeling bouw en inrichting archiefruimten en archiefbewaarplaatsen
H2 Archiefruimten
§2. Bouwkundige voorzieningen
volgende:
Artikel 4