Artikel 51 Archiefregeling 2009

Uit ArchiefWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Tekst[bewerken]

Artikel 51. Luchtkwaliteit

  1. De tot de archiefbewaarplaats toetredende verse en gerecirculeerde lucht wordt gezuiverd van zwaveldioxide, stikstofoxiden en ozon. De gemiddelde jaarconcentratie in de archiefbewaarplaats bedraagt ten hoogste:
    a. 1.3 ppb voor zwaveldioxide;
    b. 6.7 ppb voor stikstofoxiden; en
    c. 0.3 ppb voor ozon.
  2. Het ventilatievoud bedraagt bij een inrichting met vaste archiefstellingen ten minste 0,1 maal het volume van de ruimte per uur.
  3. Het circulatievoud bedraagt ten minste 1 maal het volume van de ruimte per uur.
  4. Bij toepassing van verrijdbare archiefstellingen bedraagt de inwendige circulatie ten minste 1,5 maal het volume van de ruimte per uur.
  5. De tot de archiefbewaarplaats toetredende verse en gerecirculeerde lucht bevat ten hoogste 75 µg/m3 stofdeeltjes.


Toelichting[bewerken]

De normen in het eerste lid zijn opgenomen, gelet op het feit dat vervuilde lucht bijdraagt aan een sneller verval van archiefbescheiden. Filtering van de toetredende lucht tot op of onder de genoemde niveaus gaat dit verval zo veel mogelijk tegen. Beperken van vervuiling door de buitenlucht kan ook door de luchttoevoer af te sluiten tijdens druk verkeer. Gegevens over de kwaliteit van de buitenlucht zijn op te vragen bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu te Bilthoven (www.rivm.nl) en bij de provincies. Voor NH3 (ammonia) zijn er geen gegevens uit onderzoek beschikbaar.De waarde van de ventilatievoud (tweede lid) is laag gesteld om de luchtbehandelinginstallatie en de voorzieningen voor luchtzuivering minimaal te belasten. Ook bij een kleinere archiefbewaarplaats levert dit ventilatievoud voldoende verse lucht op om zelfs geruime tijd in de bewaarplaats te verblijven. De klimaatinstallatie moet zo zijn afgesteld, dat de buitenklep bij een buitentemperatuur van 30°C of hoger gesloten wordt, zodat de binnenlucht 100% gerecirculeerd wordt.Indien de lucht niet goed kan circuleren (derde lid), ontstaan microklimaten, met ongunstige waarden voor temperatuur en relatieve luchtvochtigheid.Met betrekking tot het vijfde lid kan worden opgemerkt dat tevens de gerecirculeerde lucht moet worden gefilterd, aangezien archiefbescheiden zelf ook stof afgeven.


Opmerkingen[bewerken]

Deze bepaling is bij besluit van 11 oktober 2010 gewijzigd. De aanpassingen waren:

  1. In het eerste lid, onder a, wordt ‘5,5 ppb’ vervangen door: 1.3 ppb.
  2. In het eerste lid, onder b, wordt ‘10 ppb’ vervangen door: 6.7 ppb.
  3. In het eerste lid, onder c wordt ‘5 ppb’ vervangen door 0.3 ppb.

Deze waarden zijn aangepast om de in de pas te lopen met de inzichten over deze waarden.


vorige:
Artikel 50
Archiefregeling 2009
H6 Bijzondere voorschriften voor de bouw en inrichting van archiefbewaarplaatsen
§2 Voorschriften voor een gunstig milieu en klimaat
volgende:
Artikel 52