Artikel 5 Regeling duurzaamheid archiefbescheiden

Uit ArchiefWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Regeling is per 1 april 2010 vervallen

Tekst[bewerken]

Artikel 5.

  1. Microfilm voor archiefbescheiden is een polyester (polyethyleentereftalaat) halogeenzilverfilm, negatief ontwikkeld, die voldoet aan 3528. Deze film wordt aangeduid als de moederfilm.
  2. De kwaliteit van de opname van de moederfilm is overeenkomstig Quality Index 10 van ISO 6199, Annex C.
  3. Van de moederfilm wordt een kopie vervaardigd, die een kwaliteit heeft van ten hoogste 1 target minder volgens ISO 6199 ten opzichte van de moederfilm. Deze film wordt aangeduid als de duplicaatfilm. Bij het kopieerproces vindt geen wisseling van polariteit plaats. Voor het overige is de kwaliteit van de duplicaatfilm gelijk aan die van de moederfilm.
  4. Moederfilms en duplicaatfims worden beheerd en bewaard als archiefbescheiden.
  5. De afwerking van de moederfilm en de duplicaatfilm voldoet aan NEN 2154.
  6. De verpakking van de moederfilm en de duplicaatfilm bevat geen lignine en polyvinylchloride en voldoet aan ANSI IT 9.2, ongeacht het formaat van de films.
  7. De moederfilm en de duplicaatfilm worden niet ter inzage gegeven.
  8. Gebruikskopieën worden gemaakt van de duplicaatfilm.

Toelichting[bewerken]

De hier gegeven eisen voor microfilms, microfiches daaronder begrepen, gelden slechts voor de drager en de verpakking. De eisen betreffen zowel het opmaken van originele archiefbescheiden als de vervanging van archiefbescheiden door reproducties. In dit laatste geval is met inachtneming van deze eisen ingevolge artikel 7 van de Archiefwet 1995 en artikel 6 van het Archiefbesluit 1995 een machtiging door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen of de colleges van gedeputeerde staten aan de zorgdragers vereist. Aan die machtiging kunnen nadere voorwaarden worden verbonden, bij voorbeeld met betrekking tot de procedure van verfilming. Zie hierover verder de toelichting bij artikel 9.
Daar gebruikskopieën tamelijk snel kunnen slijten of in het ongerede kunnen raken, is het gebruik van de duplicaatfilm voorgeschreven. Ook deze is echter op de lange duur aan slijtage onderhevig en zal dan vervangen kunnen worden. De gebruikskopieën kunnen op diazo-materialen worden gemaakt, zoals thans nog het meest gebruikelijk is, maar kunnen ook door middel van scanning digitaal worden aangemaakt. Daar gebruikskopieën zonder meer vervangen kunnen worden is het niet nodig daaraan nadere eisen te stellen: de zorgdrager en de leverancier bepalen gezamenlijk de kwaliteit en de leesbaarheid van de gebruikskopieën. De moeder- en de duplicaatfilm worden beide onder condities als in een archiefbewaarplaats opgeslagen, aangezien in de regeling voor het klimaat van archiefruimten (artikel 5, eerste lid, van de Regeling bouw en inrichting archiefruimten en archiefbewaarplaatsen) alleen voor papieren archiefbescheiden ruimere klimaatcondities worden toegestaan.


vorige:
Artikel 4
Regeling duurzaamheid archiefbescheiden
Vervallen per 1 april 2010
volgende:
Artikel 6