Restauratiebeginsel

Uit ArchiefWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Omschrijving[bewerken]

Archiefterminologie[bewerken]

Lexicon van Nederlandse Archieftermen (1983)[bewerken]

Het begrip restauratiebeginsel is samengesmolten met het begrip structuurbeginsel.

Toelichting

  • De definitie van het begrip structuurbeginsel van het Lexicon is in de plaats gekomen van de definities van restauratiebeginsel en structuurbeginsel van de Nederlandse Archiefterminologie tezamen. De zeer nauwe samenhang tussen deze definities maakte een combinatie tot één gewenst.

Overgenomen uit


Nederlandse Archiefterminologie (1962)[bewerken]

Het restauratiebeginsel is het beginsel, dat bij de herordening van een archief in de eerste plaats een orde behoort te worden hersteld, die voorheen in dat archief aanwezig was, waarna verbeteringen in overeenstemming met de leidende gedachte, welke aan die orde ten grondslag ligt, mogen worden aangebracht.

Toelichting

  • Handleiding § 17: „Bij de ordening van een archief behoort derhalve voor alles zoveel doenlijk de oorspronkelijke orde te worden hersteld. Eerst daarna kan worden beoordeeld, of en in hoeverre het wenselijk is van die orde af te wijken".
  • Handleiding § 26: „De losse stukken, waarvan door inwendige of uitwendige aanwijzingen blijkt, dat zij vroeger deel hebben uitgemaakt van serieën of dossiers, moeten zoo mogelijk weder tot serieën of dossiers worden vereenigd".
  • Het restauratiebeginsel mag dus niet zo erg worden opgevat, dat een archiefordening aan de hand van dit beginsel niet meer zou zijn dan herstel van de oorspronkelijke orde. Er blijft ruimte voor correcties en aanvullende ordening in de stijl van de historisch bepaalde structuur.
  • Handleiding § 18: „De oorspronkelijke orde van een archief mag worden gewijzigd, om afwijkingen van den algemeenen bouw van het archief te verbeteren, onverschillig of die afwijkingen aan vergissingen van beheerders van het archief zijn toe te schrijven, dan wel zijn voortgevloeid uit eene wijziging van voorbijgaanden aard in het systeem van bewaring der archiefstukken".
  • Handleiding § 25: „De bij het ordenen van een archief allereerst herstelde serieën (resolutiën, brieven, protocollen, rekeningen, acquitten enz.) geven de hoofdlijnen aan, waarnaar de losse stukken in eene bepaalde orde moeten worden vereenigd".
  • Handleiding § 28: „Bij de rangschikking der losse stukken neme men geene willekeurige hoofdafdeelingen aan, maar alleen zulke, die gegroepeerd kunnen worden om eene van ouds bestaande serie deelen of liassen".
  • lets vrijmoediger klinkt Handleiding § 27: „Wanneer geene oude rangschikking der losse stukken herkenbaar is, hangt het antwoord op de vraag, hoe men ze zal rangschikken, in elk voorkomend geval af van de bijzondere omstandigheden, waarin het archief verkeert, vooral ook van de volledigheid daarvan. Soms kan een compromis dan het beste zijn".
  • Voorbeelden van aanvullende ordeningsmaatregelen geeft Handleiding § 59: ,,Titels van aankomst van vaste goederen moeten in geographische hoofdafdeelingen worden gesplitst en verder alphabetisch gerangschikt volgens de plaatsen, straten enz., waar die goederen zijn gelegen. Wanneer echter blijkt, dat de vaste goederen over verschillende rentambten (ambtskringen van rekenplichtige ambtenaren) waren verdeeld, behoort deze verdeeling ook voor de eigendomsbewijzen der goederen te gelden".
  • Evenzo Handleiding § 6o: „Stukken betreffende lijfrenten, schenkingen en legaten van roerende goederen moeten alphabetisch worden gerangschikt volgens de namen der debiteuren, schenkers en erflaters".
  • Ook de hierna volgende beginselen kunnen dienen als richtlijn in die gevallen, waarin het restauratiebeginsel geen grondslag voor de ordening oplevert. Waar de Handleiding in § 17 spreekt van de oorspronkelijke orde, wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid, dat de ordening van een archief reeds tijdens de vorming van dat archief is gewijzigd. Doet zich een dergelijk geval voor, dan zal bij de toepassing van het restauratiebeginsel een oude orde moeten worden gekozen.

Overgenomen uit

  • NAT, lemma 85.


Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven (1898)[bewerken]

Bij de ordening van een archief behoort derhalve voor alles zooveel doenlijk de oorspronkelijke orde te worden hersteld. Eerst daarna kan worden beoordeeld, of en in hoeverre het wenschelijk is van die orde af te wijken.

Toelichting

  • Deze regel berust niet op eene slaafsche ingenomenheid met de oude organisatie van een archief; zij eischt niet, dat die oude orde worde hersteld, omdat die per se onverbeterlijk is, integendeel zij neemt aan, dat er aanleiding kan zijn om van de oude orde af te wijken. Zij stelt echter overeenkomstig het in de vorige paragraaf uitgesproken beginsel op den voorgrond, dat die oude orde in den regel gevormd is overeenkomstig de behoeften der oude organisatie en daarmede nauw samenhangt. Wil men die oude organisatie leeren kennen, — en hoe kan men een archief beschrijven, zoo men de organisatie van de corporatie niet kent, waaraan het zijn ontstaan dankt? — dan heeft men voor alles de inrichting van het archief, zooals het zich heeft gevormd en vervormd, toen het nog een levend organisme was, te bestudeeren.
  • Het komt er dus hier op aan, deze vraag te beantwoorden: is het, om de oude orde te leeren kennen, noodig dat men haar herstelt? Het schijnt inderdaad, dat het zeer wel mogelijk is uit enkele serieën en registers de oude inrichting van het archief althans in groote trekken vast te stellen en daarnaar te beoordeelen in hoeverre het wenschelijk is die orde te behouden, in hoeverre van haar af te wijken.
  • Somtijds zal dit inderdaad geene bezwaren opleveren, maar van te voren weten kan men dat nooit. Wat aanvankelijk eene fout scheen in de oude inrichting van het archief, kan later blijken een gevolg te zijn van eene eigenaardigheid in de oude organisatie van het bestuur. Wat bij eene oppervlakkige beschouwing onopgehelderd bleef, kan door latere vondsten volkomen duidelijk worden en rationeel blijken te zijn.
  • En het kan zijn, dat men die ontdekking eerst doet, als men de oude orde reeds heeft vernietigd en het veel moeite kost of zelfs onmogelijk is haar te herstellen. Het is daarom voorzichtiger de oude orde eerst in haar geheel, d.w.z. voor zoover er nog sporen van overig zijn, te herstellen en dan zoo noodig aan het verbeteren te gaan of de leidende gedachte, die uit de oude ordening blijkt, ook toe te passen op die archivalia, waarin de orde reddeloos is verstoord.
  • Maar het is zaak er ernstig tegen te waarschuwen, dat men zich niet uit onvoldoende gegevens eene voorstelling maakt van de vroegere inrichting van een archief en daarop voortbouwt of er aan verandert. Men komt er dan zoo licht toe zich de taak wat gemakkelijk te maken, en door het verwaarloozen van eenige gegevens voor zich zelf eene onjuiste voorstelling aan te nemen.
  • Men volge liever den raad van dien onderwijzer, die aan zijne leerlingen toestond de vrouwelijke e achter een, mijn enz. achterwege te laten, maar alleen als zij in de hoogste klasse zaten. Zoo is het ook hier : hoe meer archieven men heeft geregeld, des te meer vrijheid mag men op dit gebied nemen, maar des te zekerder is het ook, dat men, door ondervinding geleerd, den veiligen weg zal volgen.
  • Het kan zijn, dat men, dus de oude regeling hersteld hebbende, ten slotte ziet, dat zij op verscheidene punten onhoudbaar is; het kan zijn, dat men dus die oude orde, die men eerst, met moeite misschien, heeft hersteld, weder gedeeltelijk moet verstoren. Geheel nutteloos zal echter het werk nooit zijn geweest; want het is ondenkbaar, dat van de geheele oude archiefinrichting niets gehandhaafd blijft.
  • Somtijds is een oude inventaris aanwezig en zal het mogelijk zijn zich reeds uit dien inventaris een denkbeeld te maken van de oude inrichting van het archief. De meeste oude inventarissen zijn echter opgemaakt naar aanleiding van een of ander bijzonder feit, b.v. eene overdracht van het archief van den eenen ambtenaar op den anderen; zij zijn dan in der haast opgemaakt en de beschrijvingen, nog korter dan anders, geven niet altijd den inhoud der stukken juist weer. Zulke inventarissen (er is er b.v. in 1649 een opgemaakt, toen het Montfoortsche archief aan de Staten van Utrecht kwam) zijn absoluut waardeloos; het zou dus voorbarig zijn, op grond daarvan de oude archiefinrichting af te keuren.

Overgenomen uit

Commentaar

  • De §§ 18, 25-28, 59 en 60 van de Handleiding bevatten aanbevelingen en voorbeelden voor de toepassing van het restauratiebeginsel door de archivaris.

Relaties[bewerken]

UF:

BT:

NT:

RT:

Externe verwijzingen[bewerken]

Voorbeeld[bewerken]